Ruimte. Rommel. Randen. Denk: ruige akkerranden, houtwallen, slootkanten, braamstruweel en droge, open stukken om te foerageren. Hij wil kunnen schuilen én snel weg kunnen rennen. In tuin en park: laat een hoek verwilderen met struweel (meidoorn, sleedoorn, hondsroos) en hoge kruiden. Op erf en land: maak brede randen, laat slootkanten gefaseerd staan en maai niet alles tegelijk.
De fazant is een opruimer en prikker: hij eet zaden, groene delen, bessen en veel insecten (zeker kuikens: die leven op insecten). Zo helpt hij mee insectenpieken te dempen en zaden te verspreiden. Zelf staat hij op het menu van vos en roofvogels. Dat hoort bij een landschap dat weer werkt.
Het hele jaar. Balts en “kraaien” in het voorjaar. Kuikens vooral in mei–juli.
Exoot. Algemeen, maar in veel gebieden afgenomen door strakke, voedselarme landbouw en het verdwijnen van ruige randen. En daarnaast ook afname doordat ze niet meer mogen worden uitgezet.
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.