Oude bomen met ruwe bast. Eiken, populieren, wilgen, fruitbomen. Hoe meer groeven en schorsrandjes, hoe beter: daar peutert hij z’n eten uit. Help ’m: laat dode takken zitten, hang een nestkast speciaal voor boomkruipers (met zijkant-opening) op 2–4 meter, tegen een stam. In park én tuin: snoei minder strak, laat klimop en struiklaag staan. Op erven en landbouwgrond: plant houtwallen en singels met meidoorn, sleedoorn, hazelaar en eik. Maak het aaneengesloten, geen losse eilandjes.
Hij is een levende schorsborstel: pakt insecten en spinnen van stammen, ook larven die zich verstoppen. Daarmee helpt hij bomen gezond houden. Zelf is hij prooi voor sperwer en bosuil—dus dekking met struiken maakt verschil.
Het hele jaar. Vooral opvallen in het broedseizoen (maart–juni), als hij z’n hoge riedeltje laat horen.
Algemeen, maar afhankelijk van oud, gevarieerd bomenlandschap. Minder rommel, minder boomkruiper.
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.