Zon, openheid en vooral: zaad. Distels, kaardenbol, teunisbloem, klit, paardenbloem, wilgenroosje. Laat in tuin en park een hoek “rommelig” met uitgebloeide stengels staan; daar hangt ie als een acrobaat aan te bikken. Op erf en in landbouwgebied werkt een brede, kruidenrijke akkerrand met distels en andere zaaddragers goud. In de winter: voer zwart zonnebloemzaad of nyjer, liefst bij struiken waar ie snel kan wegschieten.
De putter is een zadenopruimer met smaak. Hij houdt distels in toom, maar alleen als jij ze laat bloeien en uitzaaien. Zelf staat hij ook op het menu van sperwer en huiskat: geef ‘m dekking met dichte struiken en hagen, zoals meidoorn en sleedoorn.
Het hele jaar. In nazomer en winter vaak in groepjes, soms met sijsjes en vinken.
Algemeen tot vrij algemeen. Lokaal afhankelijk van hoeveel “onkruid” en zaad er nog mag bestaan.
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.