Rust, ruimte en ondiep water. Slikranden, natte graslanden, plas-dras en rietzoom waar je laarzen blij van worden. In park of erf: een flauwe oever met modderstrook is goud. In landbouwgebied: leg een plas-dras aan en houd ’m nat in voorjaar en nazomer. Laat slootkanten rommelig. Maai gefaseerd en laat altijd een strook staan.
Hij is de “waterkwaliteit-check”: waar veel larven, slakjes en kleine kreeftjes zitten, kan hij eten. Op het menu staan ook wormen en kevertjes. Hij wordt zelf weer gegeten door roofvogels; zo tikt hij netjes door in de voedselketen.
Vooral doortrekker: maart–mei en juli–oktober. Af en toe overwinteraar. Broeden doet hij hier zelden.
Geen broedvogel van betekenis. Als doortrekker wél kwetsbaar voor droogte en het verdwijnen van modderige, rustige tussenstops. Maak die stop weer.
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.