Dicht struikgewas om in te zingen en te broeden. Denk: hagen, bramenranden, ruige slootkanten, jonge bosjes. In de tuin: laat een hoek lekker rommelig. Plant meidoorn, sleedoorn, hazelaar, veldesdoorn, hondsroos en vlier. In park en erf: maak brede zoomranden, niet alles strak maaien. Op landbouwgrond: hou houtwallen, struweelhagen en kruidenrijke randen heel. Snoei gefaseerd, nooit alles in één keer.
Eet vooral insecten en spinnen; in nazomer ook bessen. Dus: hoe meer struiken en ruigte, hoe meer prooi. Zelf staat ie op het menu van sperwer en katten; dichte dekking maakt het verschil.
Zomergast. Meestal terug vanaf eind april, vertrekt in augustus–september.
Algemeen, maar geen vanzelfsprekendheid: afhankelijk van insectenrijke, struikrijke plekken.
OH NEEEEE, hoe klinkt de Tuinfluiter dan?! We hebben nog geen goede opnames van deze vrolijke fluiter in onze database. weet jij het? Heb je hem wel eens gehoord? of heb je een goeie opname van deze soort, laat het ons weten en mail naar: [email protected]
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.