Rust. Natte graslanden, slikranden, veen en open polders met lange zichtlijnen. In de trek ook graag op grote, rustige plassen en kwelders. Help ’m: laat een hoekje land nat, maak een ondiepe poel, zet slootranden niet strak, en geef ruimte aan ruig gras en modderige kanten. In park of tuin: hou het stil rond water, geen loslopende honden langs oevers.
Een echte bodemprikker. Hij eet vooral regenwormen, insectenlarven, slakjes en kleine kreeftjes. Dus: gezonde, vochtige bodem = regenwulpvoer. Te vroeg maaien of alles droogpompen haalt het buffet weg. Kuikens en eieren zijn kwetsbaar voor kraaien en vossen; dekking én overzicht helpt: niet overal kort, niet overal hoog.
Vooral doortrekker: juli–nov en maart–mei. Kleine aantallen overwinteren, vooral aan de kust en in het rivierengebied.
Broedt vrijwel niet in Nederland. Doortrekker die onder druk staat; elke rustige, natte plek telt.
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.