Dicht struikgewas met rommel eronder. Brandnetels, bramen, meidoorn, sleedoorn, vlier. Liefst met een vochtige slootkant of ruige zoom erbij. In tuin en park: laat een hoek verwilderen, geen “netjes”. Op erf en boerenland: maak brede, ruige randen langs houtwallen en singels. Maai gefaseerd, niet alles in één keer.
Insecteneter met smaak: kevers, rupsen, mieren, spinnen. En ja, ook slakken. Daarmee helpt hij plagen klein houden in groen én gewasranden. Zelf staat hij op het menu van sperwer, katten en marterachtigen. Dus: geef ’m dekking, geen open biljartlaken.
Zomergast. Meestal half april tot september. Zingt vooral in mei en juni, vaak ’s avonds en ’s nachts.
Vrij algemeen, maar afhankelijk van genoeg ruigte en struiken. Verdwijnt snel als alles strak wordt gesnoeid en kaal gemaaid.
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.