Struweel met stekels en rommelrandjes. Bramen, meidoorn, sleedoorn, rozen. Lage takken om vanaf te zingen. Dichte dekking om in weg te duiken. In park én tuin: laat een haag lekker breed en rafelig. Op erf en akker: maak een overhoek met struiken en ruigte, niet alles strak maaien.
Eet vooral insecten en spinnen, in voorjaar ook rupsen. Voert daarmee z’n jongen op: pure eiwitmachine. Zelf staat ie op het menu van sperwer, boomvalk en katten—dus hij heeft die doornige schuilplekken hard nodig. Struweel dat jij laat staan is letterlijk overleving.
April tot september broedvogel. De meeste trekken weg; in winter bijna weg uit Nederland.
Zeldzaam en kwetsbaar. Na herstel in de jaren 90 weer terug, maar hij blijft gevoelig voor verlies van struweel en insectenarm land. Zet ‘m een buurtje dichterbij: meer struiken, meer insecten, meer snor.
OH NEEEEE, hoe klinkt de Snor dan?! We hebben nog geen goede opnames van deze vrolijke fluiter in onze database. weet jij het? Heb je hem wel eens gehoord? of heb je een goeie opname van deze soort, laat het ons weten en mail naar: [email protected]
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.