Rommel met randen. Dichte bramen, meidoorn en sleedoorn langs een pad, sloot of erf. Struweel dat je niet elk jaar kaalscheert. In de tuin: laat één hoek verwilderen en plant een haag in plaats van een schutting. In park of buitengebied: beheer in mozaïek. Dus: een stuk wél, een stuk níet snoeien. Dan heeft ie altijd dekking.
Eet vooral insecten en spinnen, later in het seizoen ook bessen. Daarmee helpt hij plaaginsecten drukken en hij verspreidt zaden via die bessen. Hij is zelf voer voor sperwer en katten: hoe dichter het struikgewas, hoe groter z’n kans.
Zomergast. Meestal van april tot september. Broedt graag laag en verstopt in bramen en andere doornstruiken.
Algemeen, maar gevoelig voor het verdwijnen van struweel en het strak maaien en klepelen van randen. Geef hem doornen, hoogte en rust.
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.