Rustige loofbossen, oude parken en flinke tuinen met grote struiken. Denk: haagbeuk, veldesdoorn, meidoorn, sleedoorn, lijsterbes en kersen. Laat rommelhoekjes staan: dicht groen om in te schuilen, open plek om te landen. In landbouwgebied? Maak brede houtwallen en struweelranden en laat ze aansluiten op bosjes. Eén losse struik is decor. Een struikenlijn is habitat.
Kraakbek met precisiewerk: hij knipt zaden en harde pitten open waar andere vogels afhaken. Eet vooral zaden, knoppen en pitten (haagbeuk, kers, pruim), in het broedseizoen ook insecten voor de jongen. Zelf staat hij op het menu van havik en sperwer. Dichte dekking is dus geen luxe maar levensverzekering.
Jaarrond. In sommige winters komen er extra’s uit het noordoosten.
Broedvogel en standvogel. Aantallen schommelen, maar goed struweel en zaaddragende bomen maken écht verschil.
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.