Open terrein met korte vegetatie. Denk: kruidenrijk grasland, dijken, ruige bermen, heide en akkers met rafelranden. Niet te netjes. Wel overzicht. Laat stukjes gras ongemaaid tot na de zomer. Maai gefaseerd: altijd ergens “oud” gras. Op erf en in park: hou een zonnig hoekje schraal en bloemrijk. In landbouwgebied werken brede akkerranden met inheemse kruiden en grassen. Laat kale plekjes en molshopen lekker zitten: fijne uitkijkposten.
Eet vooral insecten en andere kleine ongewervelden, en later in het seizoen ook wat zaden. Daarmee helpt hij insectenpopulaties in balans te houden. Zelf staat hij op het menu van roofvogels en vossen: hij is een schakel in open-land-voedselketens. Broedt op de grond, dus rust en dekking zijn alles.
Vooral van maart tot oktober. Trekt in de winter grotendeels weg.
Algemeen broedvogel, maar wel flink achteruitgegaan door intensief beheer en een stiller, strakker landschap.
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.