Ondiepe, rustige plassen met een rommelige rand. Modder. Slootkanten. Drassig grasland. In de winter ook overstroomde akkers: even snel bunkeren. Help ’m: laat oevers flauw aflopen, houd een hoekje nat, laat riet en lisdodde staan. In parkvijvers: minder strak maaien langs de kant, wat ruigte laten hangen.
Wintertalingen zeven het water en prikken in de modder naar insectenlarven, slakjes, kleine kreeftjes en zaden van water- en oeverplanten. Ze zijn zelf voer voor roofvogels als havik en slechtvalk. Een goed wintertalinglandschap is meestal ook top voor amfibieën, libellen en heel veel andere waterrand-bewoners.
Vooral oktober tot en met maart: wintergast in grote aantallen. Broeden doen ze ook, maar schaars en vooral in natte, rustige gebieden.
Broedvogel: zeldzaam. In de winter: algemeen als doortrekker en wintergast.
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.