Kale, natte randen. Slik. Zand. Grind. Een rustig beekje, plas of rivier waar de waterlijn mag schuiven. Geef ’m rommelige oevers: laat een strook ongemaaid, trek geen strakke beschoeiing door, en leg bij plas-dras een paar onbegroeide zandplekjes aan. In landbouwgebied werkt dit ook: flauwe oevers langs sloten, en een modderige rand die niet elke week “netjes” wordt gemaakt.
Hij pikt insecten, spinnetjes, slakjes en kleine kreeftjes van de kant. Zo houdt hij het krioelen op peil én laat hij zien dat jouw oever leeft. Kuikens hebben een lopend buffet aan kleine beestjes nodig; zonder die natte rand is het snel klaar.
Vooral april tot en met september. Doortrek piekt in het voorjaar en nazomer. Broeden doet hij maar op een paar plekken.
Zeldzame broedvogel, wel regelmatige doortrekker. Kwetsbaar door verstoring en het verdwijnen van natuurlijke oevers.
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.